The Unreachable Fullness of The Being

The Unreachable Fullness of the Being (NL)

About the digital prints of Lucy Besson, by Daan van Speybroek

ONBEREIKBARE VOLHEID VAN HET BESTAAN

over de digitale prints van LUCY BESSON, door Daan van Speybroek

“Afkomstig uit Siberië, blijft Lucy Besson een vreemdeling in Nederland, of misschien eerder, daar ze al sinds 1990 hier woont, een vreemdeling in eigen land. Van de bestaanservaring, nooit helemaal thuis te zijn, is haar oeuvre een toonbeeld: geeft het aan bepaalde van haar werken een bijna zwevend, gewichtloos karakter, aan andere is het af te lezen doordat ze niet geheel met zichzelf samenvallen. Dit wil zeggen dat er een soort van discrepantie met de zwaartekracht, met de ruimte of met de tijd in optreedt. Brengt de kunstenaar dergelijke wanverhoudingen in beeld, en weet ze deze te hanteren en artistiek te benutten, dit neemt niet weg dat aan de grondslag van haar kunst, dieper en meer verscholen, dus fundamenteel én constituerend, een meer ongrijpbare, onbewuste structuur ligt. Deze, diep in haar eigen wezen verankerd en tot op zekere hoogte ermee samenvallend, is moeilijk te benoemen, terwijl ze zich uit in bepaalde kenmerken van haar werk onder de vorm van symptomen. Aldus blijkt ze zoniet te duiden, dan toch aan te duiden. Daarnaar wordt in deze tekst op zoek gegaan.

Algemeen is in het werk van Lucy Besson een spanning voelbaar tussen het ik en de ander, tussen de kunstenaar en haar model, tussen de kunstenaar en de kijker. In dit spanningsveld lijken zowel de posities soms te worden geruild, als dat de ervaring van een gelijkschakeling optreedt. Van een dergelijk heen en weer gaan valt bij een sensitiviteit en een concentratie in het kijken naar haar werk, een en ander te beleven.

Door haar klassieke en gedegen opleiding in Moskou – bij ons is men geneigd dit als een ambachtelijke en ouderwetse scholing te zien – heeft ze zich de klassieke schilderkunst in praktijk en in theorie, in woord en daad, eigen gemaakt. Voor haar is deze vorming verbonden met haar eerder leven, vroeger, van vóór Nederland, maar blijft ze verankerd in haar kunstenaarschap als een van de constituerende element ervan. Echter, door de nieuwe, in feite haar niet meer zo nieuwe situatie ín Nederland, weet ze dat een dergelijke achtergrond hier radicaal opengebroken is. Terwijl dit voor ‘ons’ min of meer evident is, blijft het voor haar, vanuit en met haar verleden, complexer, verrassend, tot op zekere hoogte als een blok aan haar been. Zij moet er hoe dan ook blijvend haar verhouding toe zoeken en bepalen.

Dit verklaart min of meer een voortdurend verspringen in haar kunst tussen tekenen, schilderen en stills, en speelt zich af tegen een achtergrond van zich het beste thuis voelen in een vorm van totaalkunst: bewegend beeld met geluid waar ze het liefst zelf actief – ja, met heel haar wezen – in opgenomen is. Of anders gezegd, ze levert zich uit en over aan een zeker experimenteren: gewapend met haar klassieke achtergrond doet ze een uitval naar voren en neemt de haar vertrouwde disciplines daarbij af en toe als een soort van rustpunten, maar in het besef dat het niet anders kan dan het openbreken van zowel haar eigen artistieke kunde als van de thans gangbare artistieke media.

De digitale prints van Lucy Besson situeren zich in die context, terwijl het intussen niet vreemd is dat we haar daarnaast eveneens zien schilderen: portretten – vakkundig, ja zoals gezegd, ambachtelijk -, maar ook een reeks doeken waarin ze bijvoorbeeld de handen, de handen waarmee ze werk, de hare, als het ware aftast. Ook in deze werken breekt zij iets open door bijvoorbeeld, onderaan het doek, een poëtische tekst toe te voegen. Experimenteren wordt als een komen en gaan, een uitbreken en terugkeren; het gaat samen met een niet kiezen dat echter niet verlamt, met een zo weinig mogelijk uitsluiten, of affirmatief gesteld, met een combineren van stilstand en beweging, van taal en beeld. Onder al deze vormen, in hun combinatie, dient zich een hang naar het totale blijvend aan, dringt deze zich in zijn onbereikbaarheid, in haar oeuvre op.

Misschien wordt de genoemde, heersende ‘vreemdheid’ nog eens versterkt door haar vrouw zijn. Ook daar voert ze in haar werk een zekere breuk door met het dominante, het gevoerde schoonheidsideaal de hedendaagse westerse vrouw voorgehouden, en opgedrongen. En wie weet spelen ook de ‘vroegere’ sociale patronen uit haar vroegere thuisland, en de historische patronen van deze oude familietak waartoe ze hoort met vertakkingen tot aan het hof van de Franse koningen, nog een bijzondere rol.

Intussen vindt ze houvast dank zij haar kennis van de klassieke schilderkunst waar diverse digitale prints aan refereren. Vaak gebruikt ze beelden of details eruit als uitvalsbasis voor manipulaties door digitalisering mogelijk gemaakt, om ze van hun klassieke uitstraling te ontdoet en ze op onverwachte wijze eigentijds te maken, zonder dat ze tegelijk ophouden een onomstotelijke stevigheid te behouden en zich in haar werk te nestelen.

Maar waaruit bestaat het meer’experimentele werk’ van Lucy Besson eigenlijk, hoe ziet het eruit? Foto’s, stills uit film? Bij het bekijken ervan, blijkt moeilijk te benoemen wat het juist is, valt het nauwelijks in een woord te vangen: ieder begrip schiet tekort. Omdat er toch een aanduiding moet worden gegeven, noemt zij het zelf, objectiverend en technisch, ‘digitale prints’.

Deze zijn zoals reeds gezegd, stevig verankerd in het verleden – en niet alleen een kunsthistorisch – zonder evenwel om het heden – het hier en nu – heen te kunnen of te willen. Voor zover we bij verankering aan traditioneel, zelfs aan ouderwets of behoudend zouden denken, doet het werk zonder modieus te worden, daarentegen hedendaags aan. Maar met dit laatste staat het op gespannen voet: verwijst hedendaags hier naar de wijze van artistieke aanpak, methodiek en techniek, als product – door de kleur en de krassen die erop voorkomen – maken de kunstwerken de indruk toch van minder recente datum te zijn. Deze ambivalentie, samen met de eerder gesignaleerde suggestie van bewegend beeld maar eruit geïsoleerd en gefixeerd, voert het werk op het scherp van de snede en brengt er een min of meer sterke dramatisering in op gang.

Een en ander dringt zich op een ongewone averechtse manier op: in de ruis, de kwetsuren en de onvolkomenheden die in het werk te zien zijn. Het zit immers vol krassen, niet zozeer op het werk aangebracht, maar ín het werk zelf, er wezenlijk deel van uitmakend. Een van de werken, anders dan de andere en toch gelijkend, geeft ons in zekere zin de sleutel tot de digitale prints, of misschien eerder een loper die past op alle sloten die toegang geven tot haar werk: door onderaan het afgebeelde hoofd van een persoon een tekst te plaatsen, wordt gesuggereerd dat het beeld ontleend is aan een oude zwart-wit film met ondertiteling die in de loop der jaren als gevolg van het veelvuldig projecteren, vol krassen is komen te staat. Dramatisch geladen doet het beeld denken aan Jeanne d’Arc van Robert Bresson of van Carl Dreyer, wanneer ze voor haar kerkelijke rechters verschijnt of op de brandstapel staat. Zelf refereert Lucy Besson liever aan Alfred Hitchcock en spreekt ze over het kijken door een sleutelgat.

Het voordeel van het benoemen van haar werk met de term ‘digitale print’ is dat ze in hun aanduiding als statisch, blijvend aan bewegend beeld en meer algemeen aan beweeglijkheid refereren. Want beweeglijk is het werk!. Het breedbeeld als de vorm waarin het is geprint, draagt daar mede toe bij. Inhoudelijk wordt de levendigheid gevoed door de betrachting met en in haar kunst niets te verzinnen: iedere keer komt het beeld uit de haar omgevende realiteit, wordt het door haar, als beleving van en kijker naar de aan haar voorbijtrekkende stroom van beelden, er met een scherpe intuïtie uit geplukt. Gegeven hun sterke emotionele inbedding komen de geïsoleerde beelden nooit helemaal los uit de realiteit; het moment ervoor en dat erna aanwezig blijft steeds aanwezig, terwijl juist een enkele sequens scherp in het oog sprong en de aanleiding tot het werk vormde, ja het werk zelf wordt. Op deze wijze steekt in de digitale prints een komen en gaan, als een spel met de tijd.

Hier heerst een andere dan de doorgaanse verhouding tot de tijd: men valt als het ware uit de chronologische opeenvolging en wordt in een andere tijdsdimensie gekatapulteerd: een opengebroken tijd die uitzicht op herinneringen biedt en die deze laatste oproepen in beelden die zich als gedachtenis opdringen. Wanneer Lucy Besson bijvoorbeeld door haar raam een jongen ziet, beseft ze dat ze een foto van hem moet nemen. Ze plaatst hem daarbij in zijn omgeving, waarin ze hem aantreft. Maar later, ingaand op de foto en zich ermee confronterend, weet ze dat het alleen om zijn handen draait: handen gevouwen als deze ooit, lang geleden, van een neefje als kind gestorven en opgebaard. Hier treedt de duur in werking, als iets dat duurt en zich eens te meer als aanwezigheid opdringt.

De digitale prints hebben in het zich opdringen van dramatisch geladen beelden een dwingende kracht, ze leggen zich aan de kijker op. Hierin manifesteert de grondstructuur van het ‘experimentele werk’ van Lucy Besson zich: er is slechts óf het te ondergaan, óf het wegkijken. In die zin zouden we van een soort van omgekeerd spiegelbeeld kunnen spreken: het werk legt zich aan de kijker op, noopt hem zich ernaar te plooien – terwijl in de spiegel juist de bewegingen beantwoorden aan de gebaren van diegene ervoor staat.

En het lijkt alsof het voor de kunstenaar niet anders is! Terwijl het om beelden gaat die horen tot haar realiteit – ‘niets is verzonnen’, zegt ze even herhaaldelijk als nadrukkelijk -, op het moment van het scheppen ervan actueel zij het soms opduikend uit een ver verleden, bekleden ze zich met een dwang, eisen ze om tot de wereld toe te treden. In feite is het niet duidelijk of deze herinneringen, deze flarden van realiteit dit zelf opeisen, of dat de kunstenaar het van hen eist. Het blijft een soort van onbesliste strijd gevoerd door een kunstenaar verankerd in een klassieke kunstopleiding, een strijd die in de digitale manipuleerbaarheid van het beeld haar uitdrukking vindt en alle ruimte krijgt. Digitale prints zijn hier dan ook het geëigende medium om deze strijd, dit gevecht met het spiegel in beeld te brengen.

Oog in ook met de digitale prints van Lucy Besson raakt iedereen in het ongewisse. Is dit enerzijds hét kenmerk van de kunst, namelijk eenduidig noch eendimensionaal te zijn, anderzijds lijken ze de identiteit van ieder van ons in vraag te stellen. Want wie stuurt wie, welke kant van de spiegel stuurt de andere kant? En vallen we, voor dergelijke spiegel als dit werk is, nog met onszelf samen? Waarschijnlijk is het daarom dat het ons allen – kunstenaar en kijker – met een vorm van eenzaamheid overrompelt, met vreemd te zijn in eigen land en lijf confronteert.”